Waar haal ik energie uit? Ik schreef er al eerder over. Uit muziek, uit schrijven, uit iets creëren. En, waar ik nu ook achter ben gekomen, uit zo dicht mogelijk bij mezelf blijven. En hoe doe je dat, dicht bij jezelf blijven. Nou, een paar weken geleden ben ik eerst naar de kapper gegaan en heb een flink stuk van mijn haar laten knippen, vervolgens ze weer eens kastanjerood geverfd en daarna bij een juwelier een extra gaatje in het randje halverwege mijn rechteroorschelp laten zetten. Iets wat ik al jaren geleden had willen doen. En nu doe ik het gewoon.

Dus over kastanjerood gesproken. Afgelopen nacht moest ik opeens denken aan een verhaal dat ik zo’n vijfentwintig jaar geleden van een reiziger heb gekregen. Een verhaal met een conductrice in de hoofdrol. En die conductrice, dat was ik. Na de lunch van vanmiddag ging ik erna op zoek en vond de A4tjes op zolder in een van de bananendozen, zorgvuldig opgeborgen in een plastic insteekhoesje. Al lezend, moest ik weer glimlachen. Het zal zo rond 1991 zijn geweest en uit alles blijkt dat ik toen goed in mijn vel zat. Omdat ik het zonde vind als dit verhaal alleen maar in een bananendoos ligt te liggen, en ik het stiekem ook wel leuk vind dat ik dit ooit heb meegemaakt, wil ik het graag met jullie delen.
Een professionele NS-Red-Head
Die dinsdagochtend stond ik verrassend fit op. Fris gedouched stapte ik naar buiten. Het weer bleek ook zijn beste beentje te hebben voorgezet. Een stralende zon stond aan een felblauwe hemel, slechts hier en daar geïllustreerd met een prachtige schapenwolk. De wereld rook naar avontuur en uitdagingen.
Aangekomen op spoor 1, nam ik mijn vaste plek in. Halverwege het perron waar, zo wist ik uit ervaring, de coupé waarin ik wilde gaan zitten zou stoppen. De andere wachtenden, die ik na twee jaar op dezelfde tijd reizen inmiddels van gezicht kende, hadden kennelijk ook een van hun betere ochtenden. Er werd over en weer ‘goedemorgen’ gewenst en hier en daar werd een geanimeerd gesprek gevoerd. Er hing iets in de lucht, iets moois. Iedereen voelde het.
‘Ik heb haar al een tijdje niet gezien’, schoot het door mijn hoofd. Ik dacht aan de conductrice die ik al een tijdje stilletjes bewonderde. Toen ik op een ochtend, nu een paar maanden geleden, mijn trein instapte, zag ik haar voor het eerst. Ze stond op het balkon met twee opgeschoten jongens, matje in de nek, zwart nylon jack met oranje voering, en had kennelijk net een van hen op zwartrijden betrapt. Met haar mooie lange donkere haren, de conducteursportefeuille op haar linkerhand liggend, schreef ze een bon uit. Zonder dat ik kon verstaan wat er werd gezegd, voelde ik een zekere spanning. Even overwoog ik om in de buurt te blijven om hulp te kunnen bieden wanneer de jongens haar al te zeer zouden tegenwerken. Maar haar hele houding straalde zo’n zekerheid uit dat ik me meteen schaamde voor die gedachte. Sinds die tijd zag ik haar vaker. Zo leek het tenminste, waarschijnlijk lette ik meer op haar. Vaak hoorde ik haar stem al door de omroep voor ik haar zag.
Een paar weken nadat ik haar voor de eerste keer zag, het was de dag waarop besloten zou worden of de vakbonden het bod van de NS zouden accepteren, stapte ik in een coupé waarin twee conducteurs zaten. Ze discussieerden heftig over wat het standpunt van de vakbond zou moeten zijn. Buiten hoorde ik een fluitje ten teken dat we vertrokken. De buitendeuren sisten dicht en de conducteur die het vertreksein had gegeven kwam de coupé binnen. Het was mijn conductrice. Het duurde enkele seconden voordat ik haar herkende. Ze had een gedaantewisseling ondergaan. Haar haar was kort en kastanjerood en ze had een beugel in haar mond.
In de discussie met haar collega’s had zij vooral een relativerende rol. Zagen haar collega’s sommige dingen erg zwart-wit, dan wist zij een aantal grijstinten aan te brengen. Toen de discussie over een zeer technisch onderwerp ging, trok ik mijn wenkbrauwen vragend op. Zij zag dat en begon tegen mij te praten. Ze legde me uit waarover het ging en vertelde een paar details, waardoor ik de discussie kon volgen. Sinds die tijd was het alsof we elkaar kenden. We groetten elkaar wanneer ze voorbij liep of mijn jaarkaart controleerde. Ik was dan trots, vooral wanneer andere reizigers merkten dat we elkaar ‘kenden’. Telkens wanneer ik haar ontmoette wilde ik eigenlijk ook meer van haar te weten komen, maar verder dan een enkele opmerking over het weer, de drukte of de vertraging kwam het nooit. En de laatste keer was nu al weer zeker twee weken geleden.
Het gevoel dat ik haar die dag zou ontmoeten maakte zich van mij meester. Mijn hartslag verhoogde zich spontaan een paar slagen per minuut en ik kon niet langer standbeeldig op mijn plek blijven staan wachten. Ik begon te drentelen over het perron. Het punt waar de rails in de verte ineenvloeiden verdween geen ogenblik uit mijn ogen. Als mijn gevoel klopte, dan zou ze elk moment vanuit dat punt aan de einder naar mij toe komen.
Zo lang als mogelijk was treuzelde ik bij het instappen. Kwam ze uit de trein gestapt om de machinist het vertreksein te geven? Nee. Twee andere conducteurs draaiden de sleutel om de deuren te sluiten en nadat een van hen zijn spiegelei met de groene kant op had gestoken, vertrokken we. Ik liep naar een coupé en in tegenstelling tot wat ik normaal altijd doe, ging ik niet aan de raamzijde zitten, maar nestelde me op de stoel die aan het gangpad grensde. Mijn aandacht ging weer uit naar het werk dat me die dag te doen stond en ik greep in mijn tas om de nodige stukken nog eens door te lezen.
Plotseling ging mijn inmiddels tot rust gekomen hartslag eens zo snel als even daarvoor op het perron. Ik hoorde haar stem. Zij controleerde in de coupé naast mij de plaatsbewijzen. Tegelijkertijd dat ik me realiseerde dat zij het was werd de deur van mijn coupé opengeschoven en een collega van haar wierp een blik op mijn jaarkaart. Achter zijn rug passeerde ze hem op weg naar de volgende coupé. Ik probeerde langs de conducteur te kijken en hoopte dat ze me zag en herkende. Toen ze voorbij liep keek ze me aan. Ik glimlachte hoopvol. Zij glimlachte ook en met een knikje van herkenning zei ze: ‘Hallo’…en liep door.
Een uur later die dinsdagmorgen, de tweede controleronde. Ik hoorde plotseling haar stem verderop in het gangpad. Ze controleerde de coupé vóór die waarin ik zat. Deed ze het erom of was het toeval? Hoe dan ook, ze controleerde ook de volgende coupé en kwam bij mijn coupé die inmiddels vol zat. Mijn hand ging automatisch naar de borstzak van mijn overhemd om mijn kaart te pakken. Ze lachte me toe en zei: ‘Dat is wel goed, dat weten we wel.’ Ik was blij. Mijn dag kon niet meer stuk. Nu wil ik nog een keer echt kennismaken met haar; mijn professionele NS-red-head!!
Ik kan het me nog goed voor de geest halen. Het moment waarop deze reiziger me dit verhaal overhandigde. Dat ik het in diezelfde trein een paar coupés verderop met verhoogde hartslag en waarschijnlijk ook een brede glimlach heb gelezen. Tot een echte kennismaking is het nooit gekomen. Een praatje over het weer, de drukte of de vertraging, daar is het bij gebleven. Maar het blijft ‘une belle histoire’.