Niet ambitieus. Of toch wel?

Voelde me als een vis in het water tussen mijn cursisten en de cursisten voelden zich op hun gemak en veilig in mijn lokaal. Mijn lokaal waar ik het liefst zo min mogelijk gebruik maakte van de saaie lesmethoden met hun woordenlijsten en grammatica, maar door middel van muziek en het internet probeerde om contact te maken met eenieder van hen. Hen te enthousiasmeren voor de Nederlandse taal en simpelweg een leuke les te geven. Van het echt contact maken genoot ik het meest. Bijvoorbeeld als cursisten na het horen van het lied Fiets van Herman van Veen eerst zeiden: ‘Ik begrijp het niet’, maar na uitleg van de verschillende nieuwe woorden met veel herkenning de vijver, weerspiegelen, het riet en fluisteren in hun werkboek schreven en uiteindelijk zachtjes meezongen.

Hé, kleine meid op je kinderfiets
Je lacht en je zwaait naar een zwaan
en de vijver weerspiegelt je witte jurk
en het riet fluistert je naam.

Schermafbeelding 2018-01-03 om 13.23.31

Of als ik in de pauze tussen hen in ging zitten en samen een kop koffie dronk. Dan ontstonden soms leuke, mooie of ontroerende gesprekken. Over heimwee naar het prachtige land dat Syrië ooit was, over Sara die hier geboren is of over de examens waarvoor we oefenden en de meeste van hen zich zorgen maakten. Zoals ik al schreef, voelde ik me als een vis in het water tussen mijn cursisten, maar niet langer in het inburgeringstraject waarvan ik deel uitmaakte. Met het bijna afronden van mijn bevoegdheid NT2 (Nederlands als tweede taal), hijgend in mijn nek, rees bij mij de vraag, wil ik dit eigenlijk wel? Onderdeel uitmaken van beleid dat is bedacht om emigratie naar Nederland te ontmoedigen. Waar sommige nieuwkomers het ver schoppen, da’s mooi, maar de meeste van hen, getraumatiseerd en gefrustreerd, moeite hebben om hier een nieuw bestaan op te bouwen.

Ik mis mijn cursisten en mijn collega’s. Vraag me af hoe het met hen gaat. Maar spijt heb ik niet. Ik zou de opleiding nu af kunnen maken en me kunnen richten op een andere doelgroep. Studenten of expats, maar daar ligt mijn hart niet. Ik zou een nieuwe leermethode kunnen gaan bedenken, ideeën genoeg, maar daar verander ik het beleid niet mee en dat kan altijd nog. Als ik het internet afstruin op zoek naar werk met vluchtelingen, worden buiten de betaalde docenten haast alleen vrijwilligers gevraagd. Zelfs voor banen met een HBO werk- en denkniveau. Dus dan zou ik als hoog opgeleide niets verdienen met een baan als maatschappelijk begeleider of coördinator taalcoach. Belachelijk!

Ik ben niet ambitieus als het om geld gaat. Ik wil graag onafhankelijk zijn, mezelf kunnen redden maar dat gaat me niet lukken met een baan als vrijwilliger. Dus dan maar een ambitieus idee. Een multifunctionele ontmoetingsplek in de binnenstad van mijn stad Venlo. Geen suf buurthuis in een aftands pand gerund door louter vrijwilligers en afhankelijk van subsidies, maar een aantrekkelijk, uitnodigend en laagdrempelig complex gefinancierd door Venlose bedrijven die willen investeren in het welzijn van haar inwoners, bedrijven met een sociaal hart. Hoe dit eruit gaat zien weet ik ook nog niet. Ik zou het leuk vinden om met mensen in contact te komen die hier met mij over willen brainstormen. En, oh ja…. ik heb al een naam. Het gevolg van mijn eigen doorgeslagen enthousiasme, de Kómpenie.

 

 

Niet voor hun lol hier

Wekenlang was de vrijdagavond mijn moment. Mijn blog, mijn YouTube, mijn glaasje wijn. Maar sinds ik in juni weer werkzaam ben als docent Nederlands als tweede taal, heb ik me daarop gestort en kwam mijn liefde voor het schrijven en zo ‘mijn moment’ in de verdrukking. Ik telde weer mee, met nieuwe collega’s, nieuwe cursisten. Cursisten voornamelijk uit Syrië en Eritrea. Ik ben begonnen met drie groepen, waarvan twee het inburgering- en één het staatsexamen-traject volgen. Sinds een week of twee knaagt het weer aan me, de behoefte om te schrijven, omdat mijn hart huilt. Omdat ik mijn altijd lachende en vriendelijke cursisten zie verstommen. Door een oorlog die hen zelfs op grote afstand in hun greep heeft. ‘Mijn neef is dood en ik was bij mijn familie?’ antwoordt een lijkwitte Subhi op de vraag waarom hij twee weken niet in de les was. ‘Mijn kind en man komen niet naar Nederland’, vertelt Elsa in de pauze met dikke tranen over haar wangen. ‘Ik wil Nederlands praten met Nederlanders, maar Nederlanders praten niet met mij, geen tijd.’ zegt Rami.

fullsizeoutput_be6

Ik ben in de afgelopen maanden gaan houden van deze mensen. Deze mensen die mij trakteren op zelfgemaakte koekjes, waaraan ik kan zien en voelen dat ze hier echt niet voor hun lol gekomen zijn. Die ik het zo gun dat ze hier een nieuw bestaan op kunnen bouwen in vrijheid, maar hier verzanden in een woud aan regels en wetten, waarden en normen. Die zich staande moeten houden in een verhardende samenleving. Ik geloof er oprecht in dat ik met het aanbieden van de Nederlandse taal ze een stukje op weg kan helpen. Dus op dit stuk dat ik bijdraag ben ik best trots, maar het schaamrood stijgt me naar de kaken als ik mijn cursisten Subhi, Selam, Rami en andere moet voorbereiden op het aanstaande examen. En dan doel ik niet op de vaardigheden zoals spreken en schrijven, maar op het examen KNM (Kennis van de Nederlandse Maatschappij).

Het is goed om uit te leggen hoe wij hier afval scheiden of hoe het schoolsysteem in elkaar zit, maar hou asjeblief op met mensen te betuttelen met adviezen als wat je beter wel of niet mee kunt nemen op een verjaardag. Hoe laat je het beste kunt komen en tot hoe laat je het beste kunt gaan. En het uitleggen is een, maar dat dit vragen zijn op het examen dat uiteindelijk bepaalt of je hier mag blijven, is te zot voor woorden. Op de site inburgeren.nl vind je meer voorbeelden. Frans heeft er een tijdje geleden een goede prikker over geschreven.

Afgelopen week luisterde ik in de auto op weg naar het werk naar een interview. Het laatste ziekenhuis in Aleppo was kapotgeschoten. Een journaliste vertelde over het contact dat zij, voornamelijk via Whatsapp, met inwoners van de stad had. De inwoners waren lamgeslagen en voelden zich in de steek gelaten. Niemand praat meer over ons. Ook ik voelde me in de auto, scheurend over de A26, machteloos. Ongeveer een half uur later zat ik tegenover Selam, Subhi, Rami, Mehreteab, Mulue, Raed en Issam. ‘Goedemiddag, wat fijn dat jullie er allemaal zijn. Ik heb er zin in!’