Wekenlang was de vrijdagavond mijn moment. Mijn blog, mijn YouTube, mijn glaasje wijn. Maar sinds ik in juni weer werkzaam ben als docent Nederlands als tweede taal, heb ik me daarop gestort en kwam mijn liefde voor het schrijven en zo ‘mijn moment’ in de verdrukking. Ik telde weer mee, met nieuwe collega’s, nieuwe cursisten. Cursisten voornamelijk uit Syrië en Eritrea. Ik ben begonnen met drie groepen, waarvan twee het inburgering- en één het staatsexamen-traject volgen. Sinds een week of twee knaagt het weer aan me, de behoefte om te schrijven, omdat mijn hart huilt. Omdat ik mijn altijd lachende en vriendelijke cursisten zie verstommen. Door een oorlog die hen zelfs op grote afstand in hun greep heeft. ‘Mijn neef is dood en ik was bij mijn familie?’ antwoordt een lijkwitte Subhi op de vraag waarom hij twee weken niet in de les was. ‘Mijn kind en man komen niet naar Nederland’, vertelt Elsa in de pauze met dikke tranen over haar wangen. ‘Ik wil Nederlands praten met Nederlanders, maar Nederlanders praten niet met mij, geen tijd.’ zegt Rami.

Ik ben in de afgelopen maanden gaan houden van deze mensen. Deze mensen die mij trakteren op zelfgemaakte koekjes, waaraan ik kan zien en voelen dat ze hier echt niet voor hun lol gekomen zijn. Die ik het zo gun dat ze hier een nieuw bestaan op kunnen bouwen in vrijheid, maar hier verzanden in een woud aan regels en wetten, waarden en normen. Die zich staande moeten houden in een verhardende samenleving. Ik geloof er oprecht in dat ik met het aanbieden van de Nederlandse taal ze een stukje op weg kan helpen. Dus op dit stuk dat ik bijdraag ben ik best trots, maar het schaamrood stijgt me naar de kaken als ik mijn cursisten Subhi, Selam, Rami en andere moet voorbereiden op het aanstaande examen. En dan doel ik niet op de vaardigheden zoals spreken en schrijven, maar op het examen KNM (Kennis van de Nederlandse Maatschappij).
Het is goed om uit te leggen hoe wij hier afval scheiden of hoe het schoolsysteem in elkaar zit, maar hou asjeblief op met mensen te betuttelen met adviezen als wat je beter wel of niet mee kunt nemen op een verjaardag. Hoe laat je het beste kunt komen en tot hoe laat je het beste kunt gaan. En het uitleggen is een, maar dat dit vragen zijn op het examen dat uiteindelijk bepaalt of je hier mag blijven, is te zot voor woorden. Op de site inburgeren.nl vind je meer voorbeelden. Frans heeft er een tijdje geleden een goede prikker over geschreven.
Afgelopen week luisterde ik in de auto op weg naar het werk naar een interview. Het laatste ziekenhuis in Aleppo was kapotgeschoten. Een journaliste vertelde over het contact dat zij, voornamelijk via Whatsapp, met inwoners van de stad had. De inwoners waren lamgeslagen en voelden zich in de steek gelaten. Niemand praat meer over ons. Ook ik voelde me in de auto, scheurend over de A26, machteloos. Ongeveer een half uur later zat ik tegenover Selam, Subhi, Rami, Mehreteab, Mulue, Raed en Issam. ‘Goedemiddag, wat fijn dat jullie er allemaal zijn. Ik heb er zin in!’
