‘Hebben we alles?’, vroeg ik bijna standaard, voordat we de deur uit gingen. En wat hadden we eigenlijk nodig. Het ziekenhuispasje. De uitgeprinte afspraak nam ik altijd voor de zekerheid mee, maar had ik nooit nodig. Voor de MRI-scan die woensdagmorgen nam ik een joggingbroek mee.
In het kleedhokje kreeg ik nog een badjas, die ik nog even tegen de kou aan kon doen. In mijn arm kreeg ik een infuus met contrastvloeistof. Daarna moest ik met gestrekte armen op mijn buik gaan liggen. Links en rechts een kussentje om de armen te ondersteunen en oordoppen om het geluid te dempen. Deed me natuurlijk meteen aan Hella denken. En aan IJsland. In mijn rechterhand kreeg ik een ballonnetje waar ik in kon knijpen als er iets was. Ik moest proberen zo stil mogelijk te liggen, maar kon gewoon rustig ademen. Door een gat kon ik omlaag kijken, maar veel was daar niet te zien dus sloot ik mijn ogen maar.
Er kwamen series van ongeveer acht minuten van tikken die ieder verschillend waren qua intensiteit en lengte. Als talenliefhebber meende ik er woorden in te horen of wilde ik ze horen, ‘meeuw, meeuw, meeuw, meeuw… ding, ding, ding, ding… knoei, knoei, knoei, knoei… tokketokketokketokke…’ In de tussenpauzes hoorde ik de verpleegkundige wel iets mompelen, maar door de oordoppen verstond ik daar niets van. Het was wel iets van een aankondiging van een volgende reeks, maar ik dacht, als ik iets heb gemist dan kom ik er vanzelf wel achter.
Het ging een hele tijd goed, maar langzaamaan ging mijn rechterschouder pijn doen. Sinds verschillende slijmbeursontstekingen en een frozen shoulder heb ik die schouder nooit meer honderd procent gestrekt gekregen en dat was tot dan toe ook niet zo’n probleem. Ik probeerde de pijn te negeren, maar dat werd wel steeds moeilijker. Het klinkt natuurlijk volslagen belachelijk wat ik nu ga vertellen, maar op dat moment heeft het mij er doorheen geholpen.
Daags ervoor had ik naar de bevrijding van zeventig jaar Auschwitz gekeken. Een onderwerp dat mij, door het verleden van mijn eigen grootouders, bij wie tijdens de laatste drie jaren van de oorlog drie Joden ondergedoken hebben gezeten, altijd weer raakt. Ik bleef tegen mezelf zeggen dat de pijn die ik voelde in een schril contrast stond met wat mensen in de oorlog hadden gevoeld. ‘Kom op, nog even volhouden. Nee, je gaat ‘nog’ niet in het ballonnetje knijpen.’ Op een gegeven moment had ik geen notie meer van tijd. Weer gemompel en een volgende reeks werd aangekondigd. ‘Focus op je ademhaling, adem in, adem uit.’
Hoe fijn was het, toen het erop zat. Het waren bij elkaar toch zo’n vijfenveertig minuten geweest. Ik heb daarna nog eens nagevraagd of deze scan alleen van mijn borsten was. Voor mijn gevoel was mijn hele lichaam of in ieder geval mijn romp helemaal gescand. Nee, het waren toch echt alleen maar mijn borsten die waren gescand. En mijn oksels natuurlijk. Daags erna de tweede punctie.

Jezus Claudia, wat een verhaal zeg! Klinkt waarschijnlijk cliché, maar wat knap dat je dat zo kunt. Van de andere kant lijkt het me inderdaad een manier van ´van je af´ schrijven. Na onze week Sardinië neem ik telefonisch contact op. Hou je taai.