In Grand Café Central, een café-restaurant aan de Markt, gaf Hella me afgelopen woensdagochtend een boek, Het laatste woord, de kunst van leven met de dood, van Gijsbert van Es, redacteur van NRC-handelsblad. Dit boek had ze een tijdje geleden naar aanleiding van een rubriek in die krant gekocht. Een rubriek waarin mensen openhartig praten over de manier waarop zij afscheid nemen van het leven. En nu vond ze het boek op z’n plek bij mij. Een mooi gebaar.

Ik heb een aantal verhalen gelezen en herlezen. Alle verhalen zijn de moeite waard om te herlezen. Als voorbeeld de volgende passage van de heer Meihuizen die in 2011 op zijn 90ste overleed:
“Ik ben opgegroeid in de Nederlands-hervormde traditie. Ik was ooit, omstreeks mijn 20ste, de jongste ouderling van Nederland. Later heb ik me aangesloten bij de zevendedags-adventisten. Daar ben ik opgestapt, meer dan vijftig jaar geleden alweer, toen een voorganger ervandoor ging met het geld en een jongere vrouw van onze afdeling. Dat heeft me voorgoed genezen van het instituut kerk. Het zijn allemaal machtsbolwerken die angst verspreiden om mensen in hun greep te houden – de katholieke kerk net zo goed als moslimgemeenschappen. De bijbel is voor mij een boek van hoop en liefde, niet van hel en verdoemenis.
De vraag wat hierna komt, houdt me niet bezig. Er zal iets zijn – dat voel ik. Ik kan me niet voorstellen dat alle kennis en ervaring die ik in mijn leven heb verzameld bij mijn dood voor de eeuwigheid verloren gaat. In mijn ogen maakt de geest van een mens deel uit van een groter geheel, van een andere dimensie, die wij als mens niet kunnen waarnemen. Ik denk dat die te mooi en te groot is om ons een voorstelling van te kunnen maken. Echt contact met de andere kant is er nooit geweest, dus we kunnen er alleen naar gissen. Aan dergelijke fantasie wil ik niet meedoen, uit respect voor het Grotere, of het Hogere, of hoe je het noemen wilt. En mocht straks blijken dat er helemaal niks is: ook goed, niks is niks – het zal me verder niet raken dan.”
De meeste mensen die hun verhaal vertellen berusten erin, dat ze in de laatste fase van hun leven zitten en dat vind ik mooi. Ook blikken de meeste terug op een mooi leven en zijn dankbaar. Nu ik hierover schrijf, denk ik met pijn aan mijn eigen ouders. Zowel mijn moeder als mijn vader hebben niet terug gekeken op een mooi leven, een leven dat door omstandigheden en keuzes niet zo gelopen was als ze hadden gewild en dat is spijtig. Ook het grote contrast dat daar waar wij, met zes kinderen, bij het sterfbed van mijn moeder stonden, bij mijn vader niemand aanwezig was, doet nog steeds pijn.
En dan kijk ik met bewondering naar mijn schoonvader, opa Toon, die vier jaar geleden op zijn 85ste, na het plotseling overlijden van zijn vrouw op de boerderij, waar hij zijn hele leven al woont, zichzelf heeft leren koken. Die zijn vrouw verschrikkelijk mist, maar net als de heer Meihuizen niets meer heeft met de kerk, maar wel de hoop koester dat hij zijn vrouw Jo ooit weer zal zien. Vorige maand hebben we samen zijn 90ste verjaardag gevierd en was het mooi te zien dat hij ervan genoot. En nu hij afgelopen week geopereerd is aan staar in zijn rechteroog leeft hij weer op.
Gistermorgen zette ik radio 4 aan, net op het moment dat Elysium uit de film Gladiator van de componist Hans Zimmer werd afgespeeld en dacht even aan opa Toon en zijn Jo. En ik dacht aan een van de mooie quotes uit de film Gladiator: ‘I will see you again, but not yet … not yet.’
Fijn en mooi dat jij je gevoelens verwoord en uitspreekt. Ik vind het moedig dat je ook persoonlijke zaken niet uit de weg gaat. Guido
Verstuurd vanaf mijn iPhone